PERSONAGES: LOGISCHE WOORDEN, LOGISCHE ACTIES
Een verhaal staat of valt met goede personages. Een goed personage is een logisch personage; zijn gedachten vloeien voort uit zijn karakter (natuurlijk in combinatie met de omstandigheden), zijn handelingen vloeien voort uit zijn gedachten. Zijn woorden, die de dialogen zullen inkleuren, passen bij dit alles.
Het resultaat: geloofwaardigheid.
Alleen als een verhaal geloofwaardig is, zal de lezer worden gegrepen en het boek niet wegleggen.
Geloofwaardig is iets anders dan 'in het echte leven mogelijk'. 'Echt gebeurd is geen excuus,' zei Gerard Reve al. Zaken die echt zijn gebeurd, kunnen zo ongerijmd zijn, dat ze in een boek ongeloofwaardig overkomen. (Zie voor een bespreking door Elsbeth Etty over 'echt gebeurd' in het werk van verschillende auteurs
http://www.nrc.nl/W2/Nieuws/2000/12/29/Vp/bk1.html )
Aan de andere kant kunnen we sprookjes lezen waarin we pratende dieren, vliegende tapijten en goede feeën helemaal niet vreemd vinden.
Een voorbeeld van opmerkelijke geloofwaardigheid vormen de verhalen Marten Toonder over Olivier Bommel. De plaatjes met een jasdragende beer die een pijp rookt, een kasteel bewoont en altijd wordt geholpen door Tom Poes, die juist helemaal niets aanheeft, doen niets af aan de geloofwaardigheid van het verhaal. En ook niet aan het literaire niveau.
Bommel en Tom Poes door Marten Toonder
Dit komt doordat de personages helemaal kloppen.
Bommel is romantisch ingesteld, houdt meer van de natuur dan van de stad, meer van het oude dan van het nieuwe en is makkelijk te beïnvloeden. Dat kan door zijn omgeving zijn, maar ook door de stroom van zijn eigen gedachten. Tom Poes is nuchter en realistisch ingesteld.
In het verhaal
De tijwisselaar begint Bommel te geloven dat het weer en de wisseling van eb en vloed geen natuurverschijnselen zijn, maar worden veroorzaakt door het werk van de tijwisselaar Horletoet en zijn leerling Kobbema. Op het eiland waar Horletoet werkt, geloven de bewoners dat ook, maar Bommel vond dit bijgeloof. Hij gaat twijfelen. Let op hoe die twijfel in al zijn woorden en handelingen terugkomt. Deze woorden zijn
gemarkeerd.
'Heer Bommel
hield de pas in en verviel tot
tweestrijd terwijl de tijwisselaar zijn redevoering besloot.
'Het is uit!' sprak de grijsaard. 'De cirkel van Horletoet wordt niet meer getrokken. Vannacht is gebleken dat de vloed vanzelf wel intreedt. Daarom ga ik een akkertje bebouwen. Ga in vrede,'
Het groepje ging met gemengde gevoelens uiteen en Tom Poes liep opgewekt op heer Ollie toe.
'Prettig, hè?' vroeg hij. '[...] het bijgeloof is helemaal uitgeroeid. Nu kan die oude Horletoet nuttig werk gaan doen en Kobbe Kobbema kan een goed vak leren.'
Heer Bommel
zuchtte en
sjokte moedeloos achter zijn jonge vriend aan naar boven.
'Ik weet het niet,' prevelde, hij. 'Je praat alsof ik blij moest zijn, maar dat is niet zo.
Ik weet het niet.'
'Wat weet u niet?' vroeg Tom Poes onthutst.
'Hoe het zit met die tijwisselaar,' hernam heer Ollie
bedrukt. Hij liet zich in het gras zakken en vervolgde met
geknepen stem,: 'Het is een geheim, je mag het dus niet verder vertellen. Maar Kobbe heeft vannacht de vloed teruggedreven omdat Oene [Horletoet] het niet deed. Iemand moest het toch doen, als je begrijpt wat ik bedoel!'
'Nee,' zei Tom Poes streng, 'dat begrijp ik niet! Die Kobbema moet ophouden; anders is er nog niks bewezen voor die bijgelovige eilanders!'
'Juist,' zei heer Bommel. '
Er is ook niets bewezen. Voor mij ook niet.'
Kijk dan eens naar Tom Poes. Die is minder belangrijk, op wat hij voelt en doet wordt minder ingegaan, maar zijn woorden zijn van belang; ze zorgen voor contrast met de woorden van Bommel. Als ze het eens zouden zijn, zou de dialoog saai zijn. Wat hij zegt, past bij zijn persoonlijkheid. Ook hier zijn deze woorden
gemarkeerd.
'Heer Bommel
hield de pas in en verviel tot
tweestrijd terwijl de tijwisselaar zijn redevoering besloot.
'Het is uit!' sprak de grijsaard. 'De cirkel van Horletoet wordt niet meer getrokken. Vannacht is gebleken dat de vloed vanzelf wel intreedt. Daarom ga ik een akkertje bebouwen. Ga in vrede.'
Het groepje ging met gemengde gevoelens uiteen en Tom Poes liep
opgewekt, op heer Ollie toe.
'
Prettig, hè?' vroeg hij. '[...]
het bijgeloof is helemaal uitgeroeid. Nu kan die oude Horletoet
nuttig werk gaan doen en Kobbe Kobbema kan een
goed vak leren.'
Heer Bommel
zuchtte, en
sjokte moedeloos achter zijn jonge vriend aan naar boven.
'Ik weet het niet,' prevelde, hij. 'Je praat alsof ik blij moest zijn, maar dat is niet zo.
Ik weet het niet.'
'Wat weet u niet?' vroeg Tom Poes
onthutst.
'Hoe het zit met die tijwisselaar,' hernam heer Ollie
bedrukt. Hij liet zich in het gras zakken en vervolgde met
geknepen stem: 'Het is een geheim, je mag het dus niet verder vertellen. Maar Kobbe heeft vannacht de vloed teruggedreven omdat Oene [Horletoet] het niet deed. Iemand moest het toch doen, als je begrijpt wat ik bedoel!'
'Nee,' zei Tom Poes
streng,, '
dat begrijp ik niet! Die Kobbema moet ophouden;
anders is er nog niks bewezen voor die
bijgelovige eilanders!'
'Juist,' zei heer Bommel. '
Er is ook niets bewezen. Voor mij ook niet.'
Het is duidelijk dat vrijwel elk woord dat wordt gezegd, past bij de personages wat betreft hun karakter of hun stemming van dat moment. De werkwoorden drukken veel uit: Tom Poes loopt opgewekt, Bommel houdt de pas in, zucht en sjokt. Bommel twijfelt, maar Tom Poes gelooft in de vooruitgang: nuttig werk en een goed vak leren.
Deze personages zijn helemaal af.
Marten Toonder